21/06/2016

Hoeveel ruimte heeft een schrijver nodig?

LOGO_RUIMTE_2.jpg

Regelmatig hoor ik van oud-cursisten hoe ze verder zijn gegaan met schrijven. Zo belde Martha uit Groningen me om trots te vertellen dat ze alweer aan haar derde boek begonnen was. Onderwerp van schrijven bleek dit keer haar beppe, een van de eerste Friese topschaatsters. Een Haarlemse cursiste mailde me ook, ze meldde met spijt dat het stof op haar schrijverij was gaan liggen. Met haar goedkeuring publiceer ik hierbij - omdat het zo mooi is en niet mag verstoffen - haar persoonlijke en veranderlijke kijk op het begrip ruimte

"Het onderwerp ‘ruimte’- stelde me voor de vraag ‘- wat is ruimte eigenlijk- ?’ Het lege scherm grijnst me aan, maar blijft leeg, akelig leeg. Ruimte genoeg om iets te ‘schrijven’, maar ik weet niet wat. Dan maar overgestapt op de vraag –wat is ruimte voor mij? - Ook dat is zo eenvoudig nog niet. Wat eerste gedachten en herinneringen brengen misschien meer helderheid, meer inspiratie; inspiratie, een woord dat ruimte veronderstelt.

In de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw was ik niet met zoiets als ruimte bezig. Ruimte was er gewoon, ruimte was ver weg, immens groot en onpersoonlijk. Ruimtereizen waren weliswaar zeer interessant, maar iets van supermachten, waartoe ik me niet rekende. Voor mij was ruimte mijn eigen kamer die ik altijd had gehad en doodnormaal vond, en de wereld om me heen, die een zee aan mogelijkheden bood. Je pikte er een aantrekkelijke krent uit en liet de pap de pap. 

Dit veranderde in de jaren zeventig, toen ik ging samenwonen en het eerste kind kwam. Het volwassen leven met alle verantwoordelijkheden vandien klopte aan de deur, niet meer alleen míjn deur, voortaan was het ónze deur. De eigen kamer was verleden tijd en dit beeld zegt eigenlijk alles. 

Toen wat later het gezin groter werd, deed ik aanvankelijk nog moeite om ergens in huis een eigen plek te creëren, maar dat stuitte op ruimtegebrek, weerstand en onbegrip. Toen ik dit onderwerp in gezinsverband ter sprake bracht, lanceerden echtgenoot en jongste kind het grandioze plan om daarvoor de inpandige kast te bestemmen, zo van ‘als je dan echt zo nodig moet, dan maar in de kast.’

Ruimte in die zeventiger jaren is de verre, lege horizon op een grijze, winderige dag, als je tussen twee duintoppen door de standafgang nadert en de zee dichter- en dichterbij komt, tot je, licht hijgend, op het hoogste punt, ook het brééde, bijna lege strand en de eindeloze golven ziet, die zich, schuimkoppend, kapot beuken op de kust. En dan door het mulle zand ploeteren naar het nog natte harde zandstrand en, samen met de strandlopertjes struinen langs de vloedlijn, al je muffe gedachten en domme gepieker laten wegwaaien door de wind die er wel raad mee weet, totdat je met zanderige, plakkerige haren en vuile, voldane voeten, je weer schoon voelt, schoon gewaaid, vol van ruimte.

Ruimte in de drukke tachtiger jaren is het heerlijke niets en niemand, als manlief op woensdagavonden zijn biljartkeu uit de kast pakt, op ongerechtigheden controleert en na een goedkeurend geknik tevreden de deur achter zich dichttrekt met een ‘aju’; de biljartclub wacht! De kinderen zijn naar bed, de TV is uit, en ik moet niets meer,ook niet van mezelf. ik mag alleen nog maar. Vrijheid.

Ruimte in de gehaaste negentiger jaren zijn de groene weiden voor en naast me op het windstille boerenland in Broeksterwoude, waar het avondlijk gestadig grazen van de koeien het enige geluid is, dat aanvankelijk alleen je oren, maar allengs je hele lijf binnendringt en je ritme vertraagt, zelfs dat van je hartenklop. Waar je nooit tijd tekort komt. Waar een etmaal nog 24 volle uren telt, die in al hun volheid eindeloos lijken te duren. Waar de tijd nog alle tijd krijgt om zichzelf te zijn, om gewoon tijd te zijn. Rust, ritme.

In de eerste jaren van een nieuwe eeuw verlaten de kinderen één voor één het huis. Veel van hun spullen laten ze achter, ruimte genoeg, vinden ze. Ach ja, ze komen in de weekends nog vaak naar huis, of een relatie stopt en dan staat die deur van het ouderlijk huis, onze deur toch weer open. Opnieuw een beetje inschikken en hatsekiedee, het huis vult zich weer, nóg meer spullen stapelen zich op. Het kleine beetje ruimte en vrijheid, dat tussen de bedrijven door heroverd werd, wordt in de stapel koffers en dozen bijgezet. Wordt later wel weer uitgepakt, later!

Een jaar of drie geleden -de tweede decade van een nieuw millennium brak net aan-, ben ik gestopt met werken en is dat ‘later’ aangebroken. De hoogste tijd voor de grote seizoensopruiming, opruimen van het teveel aan spullen in kasten en kamers, het teveel aan informatie in je hoofd, het teveel aan lijstjes ‘nog te doen’. Het is wonderbaarlijk, hoe groot het teveel is, dat een mens in zijn leven opspaart, want ja, je wist maar nooit of je het nog een keer nodig zou hebben.

En wat denk je dat ik tussen al die rotzooi aan het ontdekken ben? Mijn eigen kamer, die al die tijd onopgemerkt op zolder op mij stond te wachten. Vermoedelijk ook vol overleefde rotzooi, maar toch…, mijn eigen innerlijke kamer, verborgen achter alle dozen en koffers, op een onbewaakt moment in het slot gevallen. De roestige schuif van de eenvoudige bovengrendel heb ik uiteindelijk in beweging gekregen, die kan nu open en dicht, maar de originele sleutel van het ingewikkelde slot is nog altijd niet terecht. Het tot nu toe halfslachtige ruimen levert niet het gewenste resultaat, dat wordt mouwen opstropen en de beuk erin. Lozen, loslaten. Weg met al die ouwe troep."